De laatste dag in Spanje is alweer in volle gang. Een dag in het teken van het oppikken van zonnestralen, een laatste plons in het zwembad, en van opruimen. Een mens verzamelt een hoop om zich heen in een paar weken tijd. Maar de terugreis is altijd simpeler dan heen: je pleurt gewoon alles wat je hebt in de koffer. Indien nodig, en dat is vrijwel zeker het geval, nog even op de deksel gaan zitten en dan met vereende krachten het slot erop.
Gisteren hebben we de vakantie op culinair gebied afgesloten met een diner in het fraaie hotel/restaurant Santa Fé. Dat ligt hier om de hoek (voor zover hier überhaupt iets om de hoek ligt) en wordt gerund door een Nederlands stel. Het is klein, idyllisch en een absolute aanrader. Een link naar de website zal ik thuis plaatsen, want op de iPad lukt dat niet. Het eten is er voortreffelijk, en dan overdrijf ik niet. En de jongens smulden gewoon mee. Samen een boterzachte biefstuk soldaat gemaakt, en tussendoor wat gestoeid rond het zwembad en in de fraaie tuin. Een ideale avond, ook vanwege het onderhoudende gezelschap van een wat ouder echtpaar op het terras.
En omdat de foto’s nog even op zich laten wachten plaats ik even een ontbijtkiekje. De jongeheren hadden geen zin om weer op de foto te moeten, en dat neem ik ze deze keer niet kwalijk.
Dit huisje is niet ons onderkomen tijdens deze vakantie, maar een ruïne van een ooit bewoond huis hier in de buurt. Ik rij daar elke morgen langs op jacht naar brood, en het springt behoorlijk in het oog. Hoog op de heuvel ligt het, er is zelfs een verloederd zwembad bij, en het staat te koop. Inclusief 18.000 m2 grond. Je moet wel rekening houden met enige herstelwerkzaamheden. Ik heb de foto overigens dezelfde bewerking gegeven als de foto’s van gisteren. Daarvoor gebruik ik een speciale App waar een stuk of honderd filters zijn ingebouwd: Photostudio HD. Een aanrader voor iedereen die wel eens een foto op de iPad wil bwerken.
Als je het rationeel bekijkt is een stier een nutteloos beest. Voor de voortplanting heb je er tegenwoordig maar eentje nodig, die met behulp van reageerbuisjes en een nepkoe met gemak 100 nakomelingen kan voortbrengen. Het stomme dier heeft niet eens in de gaten dat hij genept wordt, die is zo opgewonden dat hij alleen zijn orgaan achterna loopt. En over organen gesproken, de meeste onderdelen van een stier zijn ook niet eens eetbaar. Dus wat heb je eraan als de helft van al die nakomelingen van het mannelijk geslacht is? Dat ziet een boer als puur verlies. Een stier geeft geen melk, en voor zijn vlees hoef je hem ook geen jarenlang voer te geven. In de nineties was het nog heel trendy om de kloten van het beest te bestellen, maar dat is toch wel een erg schamele opbrengst van al dat voeren.
Daarbj komt dat stieren onberekenbare wezens zijn. Waag je niet in een wei waar er eentje staat, want je bent je leven niet zeker. Op de een of andere manier heeft dat beest in de gaten hoe nutteloos hij is en dat uit zich in een flinke portie agressie en machogedrag.
Dat ze hier in Spanje al eeuwen geleden hebben bedacht dat je al die slechte eigenschappen van de stier kunt inzetten ter vermaak van velen is dus prijzenswaardig. In feite is het juist een voorbeeld van efficiënt en economisch denken: je maakt optimaal gebruik van schaarste en zet elk nadeel om in een voordeel.
Maar de wereld zit niet zo eenvoudig in elkaar. Terwijl de Spanjaarden zich van geen kwaad bewust zijn groeit in Europa het hypocriete sentiment dat door dierenextremisten wordt gevoed. Als deze lieden hun zin krijgen vinden er niet alleen geen stierengevechten meer plaats in dit land, maar tevens mogen de Fransen hun ganzen niet meer vetmesten voor die overheerlijke fois gras, mogen de honden geen truffels meer opgraven en mag een beest alleen nog gegeten worden als het een natuurlijke dood is gestorven. Als dit zo doorgaat voorzie ik over een jaar of vijf een debat in de 2e kamer over een wet die het gebruik van de pil van Drion verbiedt voor dieren die ongeneeslijk ziek zijn. Met vrouwtje Thieme als spreekbuis van alle dieren, natuurlijk. Zelden heb ik zo’n irritant mens gezien, maar dat geldt overigens voor al die activisten. Ze zouden eens moeten onderzoeken wat het effect is van vegetarisme op het gevoel voor humor en zelfrelativering.
Terwijl de hele linkse kerk zich druk maakt over het populisme van de PVV en hoe de onderbuik van het volk wordt aangesproken door hun boodschap komt het ware onderbuikterrorisme uit hun eigen achtertuintje: Makkelijk scoren over zielige beestjes bij tandeloze bejaarden die toch al geen vlees meer kunnen eten, en bij kinderen natuurlijk. Kinderen worden opgevoed met het idee dat dieren onze grootste vrienden zijn. Ik noem maar één woord: Knuffelbeest. Ik heb nog nooit een pop van een mens in het bedje van een baby gezien. Dat dieren helemaal niet lief zijn, dat ze op een hele andere manier van babietjes houden en ook nog eens enorm stinken, dat willen we gewoon niet weten.
Het argument van dierenactivisten dat ze wel voor het dier moeten opkomen omdat het dier dat zelf niet kan is trouwens volkomen misplaatst. Het ontkent zelfs de kracht van de natuur en de evolutie. Als dieren wel voor zichzelf konden opkomen waren het geen dieren geweest. Dat de mens kan denken en zich door de eeuwen heen ontwikkeld heeft is nou precies de kern van het verschil tussen mens en dier. Overigens heeft de mens zich juist ontwikkeld omdat hij de ratio liet prevaleren boven de emotie. Het inspelen op emoties en misplaatste sentimenten over de aaibaarheid en zieligheid van dieren zorgt er juist voor dat de evolutie teniet wordt gedaan.
Dit alles schrijf ik op als inleiding, om u te vertellen dat wij gisteren naar een stierengevecht zijn geweest. Ik weet het, ik dwaal soms wat af. Maar de lange aanloop was nodig. Want we hebben genoten. Maar liefst drie gevechten hebben we gezien, in de kleine arena van Mijas. Een bijzonder mooi Andalusisch stadje is dat, amper 5 km van de Costa del Sol verwijderd. Dat is ook de reden dat het er druk is. Het stadje werkt als een magneet op toeristen, waarbij de onvermijdelijke volvette Engelsen en busladingen Japanners de boventoon voeren. Gelukkig was het in de Plaza de Toros niet overvol. Blijkbaar heeft de lobby van de activisten zijn werk gedaan. Zo’n voorstelling is trouwens niet goedkoop, wij hadden voor 50 Euro p.p. de goedkoopste plaatsen. In de volle zon, maar daarop waren we voorbereid middels verse hoofddeksels en een flinke fles koud water. De jongens hadden nog volop getwijfeld, verpest als ze zijn door de knuffelbeesten-mafia. Maar de nieuwsgierigheid en de drang naar persoonlijke verdieping won het van de mainstream-emoties. Gezonde jongens zijn diep van binnen uiteindelijk toch latente killers en schuwen een stevige moordpartij niet. En hoewel we eerste rang zaten blijft er natuurlijk toch een veilig hek tussen de helden op sokken en het bloedbad dat zich voor je ogen voltrekt.
Want denk nou niet dat het er zachtzinnig aan toe gaat. Die stieren (we hebben er drie zien sterven) hebben geen schijn van kans. Dat is ook helemaal niet de opzet. Het gaat bij deze wedstrijd niet om de winnaar, maar om de schoonheid van het spel. Het is gewoon toneelspel, met dien verstande dat de toreador wel degelijk zijn leven op het spel zet. De eerste werd zelfs even op de horens genomen, maar dat liep gelukkig goed af. Hij was wel wat van slag, waardoor het even duurde vóór de stier de genadesteek kreeg. Dat was voor sommige toeschouwers het sein om de arena voortijdig te verlaten, en dat moet ze spijten. Want het tweede optreden was er een van grote klasse. De jonge matador die op bijgaande foto’s is afgebeeld maakte diepe indruk met zijn zelfverzekerde en soms spectaculaire gevecht. Zo’n stier kan dan wel doodmoe zijn, je moet het maar durven om het beest diep in zijn ogen te kijken op een halve meter van zijn kop. Of met je rug naar hem toe op één knie je rode lap verdraaien in het vertrouwen dat het beest er weer intuint. Als je het goed bekijkt is zo’n stier maar een stom beest. Die blijft continu die lap aanvallen terwijl zijn echte tegenstander zich er vlak naast bevindt. Ook in dat opzicht is er niets onnatuurlijks aan een stierengevecht: de domste legt gewoon altijd het loodje, zoals Darwin ons al leerde.
Dat er voor een goede show twee topacteurs nodig zijn bewees het derde gevecht. Voor een leek was het duidelijk dat de laatste toreador ook de bekendste was. Maar de stier was een sufferd van formaat, en dus kwam de genadesteek dit keer ook echt als een verlossing.
De jongens vonden het niet leuk, maar wel boeiend en interessant. En ook wel een beetje zielig, vooral voor de eerste stier. Maar ze zouden het toch niet hebben willen missen. En dat geldt in overtreffende trap ook voor mij. Als de kans zich ooit voordoet ga ik weer. Maar dan naar een beroemde arena, in Sevilla of Madrid bij voorkeur. Mijn ogen uitkijken naar al die Spaanse families die opgedoft en uitgedost kijken naar deze prachtige uiting van cultuur en volksaard. Naar de indrukwekkende toreadors met hun prachtige kostuums. En naar de hoofdrolspelers: De stieren. Die in een half uur ervaren dat ze wél nuttig zijn, dat ze wel dégelijk een functie hebben. De prijs die ze betalen is niet mals, maar ach. Zo is het leven.
Toe maar, we gooien er vandaag nog een verslag tegenaan. Dat is de straf voor de ontrouwe vakantieblogger. Ontrouw, omdat ik mezelf beloofd had elke dag een stukje te produceren.
We gaan dus verder met maandag, maar omdat er hier maar één is die de regels bepaalt doen we de dinsdag er meteen even bij. Maandag was nat en zonnig, precies zoals we dat op school geleerd hebben. Boven zee ontstaat vochtige lucht, en boven land worden dat wolken die tegen de bergen in regen omgezet worden. Zo vertrokken we hier, op jacht naar voedsel, met een stralende zon om onderweg in de bergen in een stortbui terecht te komen. En in Marbella, amper 30 km van onze casa, was er vervolgens geen wolkje aan de lucht. Er was ook geen supermarkt open, vanwege de vrije dag waar men hier recht op heeft omdat de voorzienigheid heeft bepaald dat de socialistische hoogmis samenviel met de rustdag volgens de bijbel. Ik weet niet welk geloof dogmatischer is, maar ik belijd geen van beide.
Maar al met al was er nergens eten te bekomen, en dat is op zijn minst onprettig. We vonden onszelf uiteindelijk terug in een exclusieve hamburgertent in Puerto Bañus, dat ooit een mooi haventje was. Totdat de Spaanse jetset, geholpen door de technocraten van de Generalissimo, zich het plaatsje en de buurgemeente Marbella toeeigende. En toen Spanjes grootste witteboordencrimineel Jesus Gil y Gil via omkoperij burgemeester van de gemeente werd was het hek van de dam. In de jaren tachtig vormde Puerto Bañus een veilige haven voor wapenhandelaars, drugsbaronnen en ander tuig. Nu is het patjepeeër-gehalte nog steeds hoog genoeg om je ogen uit te kijken, en dat deden wij dan ook. De jongens gingen op zoek naar een passend schip voor Floris, want die wil later op een boot wonen. Keus genoeg in de haven, maar het is er toch allemaal wat minder dan in de gloriejaren. Ik heb geen enkel jacht met een heli kunnen ontdekken, en het mooiste exemplaar (een zwarte Riva Duchessa 92, vooral even googlen!) kan voor een luizige 5 miljoen eurootjes de jouwe zijn. Er lagen toch al veel bootjes te koop, een teken dat de crisis niet ongemerkt voorbij gaat aan de zwart geld elite. Mooi, toch een beetje gerechtigheid.
De dinsdag stond in het teken van herstel. Het weer vooral, dus bleven we rund um hause. Wandelingetjes naar de nabije rivier, een beetje luieren en vooral veel lezen. De wedstrijd Barca-Real hebben we op een bijzondere manier tussen de soep en de aardappelen door bekeken. Maar wel op zijn Spaans, dus noemen we dat Tapas.
En ik wil de iPad-liefhebbers nog even attent maken op de nieuwste hype: de App Wordfeud laat je een potje scrabble spelen tegen wie je maar wil in cyberspace. We hebben er al heel wat potjes opzitten, in mijn geval zelfs simultaan met mijn lief en mijn ouwe heer die in het kille vaderland op de bank zijn woorden legt. De App doet het heel behoorlijk, alleen zou zijn woordenlijst een opfrisbeurt mogen hebben. Maar een nieuwe versie schijnt onderweg te zijn, dus we hebben geduld. Je zou kunnen stellen dat dit spelletje ons dag en nacht in de ban houdt…
Het is alweer woensdag en ik heb foto’s genoeg voor een stuk of 5 blogs. Met de inspiratie voor een leuk stukje tekst gaat het wat minder. Het zal ook niet meehelpen dat al die onderwerpen om voorrang strijden in mijn verwarde hoofd. Goed, dan beginnen we gewoon bij het begin: Ons onderkomen dus.
Wij verblijven op het landgoed El Sigiloso, makkelijk te vinden voor wie met 2 woorden kan googlen. Het ligt een stukje in het binnenland, nabij het aardige dorp Coïn. En dat ligt weer op (ongeveer) gelijke afstand van de grootste kustplaatsen Malaga, Fuengirola en Marbella. Inmiddels hebben we wat rondgereden en lijkt het alsof alle wegen naar Coïn leiden. Een prettig idee, maar daar merkten we vanaf het vliegveld nog weinig van. Een uitgebreide zoektocht in onze alpinewitte beamer leidde zelfs ongewild tot een tweede bezoek aan de luchthaven. En mijn richtingsgevoel verloor het even van de fatale combinatie van een incomplete routebeschrijving en typisch Spaanse bewegwijzering. Mooi dat ik uiteindelijk toch als winnaar uit de bus kwam en na een stijf uurtje rijden de BMW met veel schwung door het feestende Coïn kon sturen. Over dat feest later meer.
Toen begon het rij-avontuur pas echt. Buiten het dorp klopte de beschrijving weer helemaal, en dat was maar goed ook want anders was ik nu aan het zoeken. Zo’n 50 meter na de aangegeven afslag moesten we al door een rivier waden. Een verharde weg weliswaar, en bij nader inzien stroomde er slechts 10cm overheen, maar dat zie je niet als je er vlak vóór staat. Slalommend langs (en vooral dóór) kuilen en spleten bereikten we de volgende afslag die met een bordje netjes stond aangegeven. Toen werd het onverhard, en als je dan bedenkt dat het hier nogal bergachtig is het het de weken hiervoor flink heeft geregend dan weet je het wel. Ik kreeg medelijden met het hagelwitte autootje, maar zoals het een premium-merk betaamt hield de 1-serie zich flink. Na flink wat hobbels en kuilen kwamen we bij de laatste afslag waar een volgend bordje ons vrolijk wees op een nog smaller geitenpaadje. Grommend en bokkend kweet de auto zich ook van deze taak en bracht ons bij de bekende huisjes. Ik zeg bekend, omdat de website en Google Earth ons natuurlijk al de nodige voorpret hadden bezorgd. De foto’s op de site zijn echter kunstig ontdaan van de grootste hoogteverschillen, en daardoor voer een lichte teleurstelling in mij. Maar dat kan ook komen door de hobbelige rit in die naadstrak geveerde bolide.
Het welkom was echter hartelijk, de eigenaren en buren hielpen en legden prima uit, en al snel zaten we op ons platje met een cerveza en een stukje manchego. Precies zoals we hadden bedacht.
Dat platje is een heus terras en het bevindt zich onder een groen vangnet. In dit geval houdt het de ergste zonnenstralen tegen, en dat is geen overbodige luxe.
Na het obligate uitpakken en acclimatiseren was het alweer tijd voor het diner. Nou moet ik eerst even uitleggen dat wij op zondag 1 mei aankwamen, en dat is in dit land nog een hele echte feestdag. Bij ons wordt hooguit in een schimmig achteraf-lokaaltje nog een flard van de internationale waargenomen op die dag. En dit jaar herdacht een voormalige arbeiderspartij het feit dat ze van haar pensioen mag gaan genieten. Conform de moderne arbeidersspirit houdt dat in dat er vanaf nu helemaal niets meer van het zieltogende lijk vernomen zal worden, en dat de laatste socialisten zich aan zullen sluiten bij die partij die zijn eigen naam niet eens correct kan spellen. Of was dat een jeugdzonde die inmiddels door het Ossche Politburo met bijbehorende geschiedvervalsing teniet is gedaan?
Maar ik dwaal af, het zal wel door de stand van de zon komen.
In Spanje viert men deze dag nog altijd, zoals het land vele feestdagen kent. En als zo’n dag toevallig in een weekend valt krijgen ze de maandag erop ook vrij. Wie zich afvraagt waarom dit soort landen in een Eurocrisis belandt heeft nu het antwoord. De dag van de arbeid, amme hoela.
Nou is deze week ook nog een feestweek in het dorp. Coïn heeft de eerste week van mei uitgeroepen tot de week van het een of ander, afijn: reden voor een feestje. Voor een Hollands gezin op zoek naar een eenvoudige doch voedzame maaltijd bleek dat frustrerend. Het beste restaurant van het dorp had zijn deuren gesloten en waar we ook kwamen vingen we bot. Ten einde raad belandden we in het centrum, en moesten ons een weg banen door een meute drinkende en kletsende Mediterranen. Nou willen we zeker niet discrimineren, maar de geuren die zo’n horde afscheidt beneemt de welriekende mens spontaan de eetlust.
Het feest had ook iets met paarden, maar de finesse daarvan is ons ontgaan. Het leidde wel tot bijgaande foto:
Uiteindelijk belandden we even verderop in een visrestaurantje, waar ik me tegoed heb gedaan aan een heuse steak-au-poivre. De terugrit in het donker vormde een passend slot van deze eerste dag in Andalusië.
Typen op 10km hoogte, dat is een aparte ervaring. Hoewel, zoveel verschil merk ik nou ook weer niet. Het zit hem niet zozeer in de hoogte, als wel in de beenruimte. Mensen van mijn lengte worden aan boord van een vliegtuig ernstig gediscrimineerd. Naast mij zit Floris en die kan zo een dansje doen op zijn plek, maar hij zal er geen gebruik van maken. Floris is niet van het dansen, dat is allemaal meidengedoe. Maar zijn benen strekken is geen enkel probleem, er kunnen wel 3 mennekes van 8 jaar op die plek.
Ondertussen zit ik hier opgevouwen met mijn iPad op schoot te typen. En dan heb ik nog mazzel dat de stoel naast mij leeg is gebleven, dat geeft tenminste wat lucht in de breedte.
Voor de jongens is het spannend, zo’n eerste keer vliegen. Floris was wel een beetje zenuwachtig, maar dat is niet gek na zo’n lange aanloop. Een half jaar geleden wilde hij nog helemaal niet mee, en het heeft heel wat uitleg en geduld gekost om hem te overtuigen. Ik begrijp heel goed wat hij voelt, want voor mijj is het ook nog steeds spannend. Als voormalig vliegenier weet ik te goed wat er allemaal mis kan gaan. En het is mijn diepe overtuiging dat een mens niet in de lucht hoort te vertoeven. Mijn eigen vluchtervaring is dan ook beperkt. De meeste vlieguren maakte ik op een hoogte van 5,5 meter, op zolder achter mijn computer. Avond na avond zat ik achter de stuurknuppel, met voor me een tweetal schermen en een bedieningspaneel. Zelf in elkaar geknutseld, op dat stuur na. Gashendels, flaps, trim, en zelfs in voetpedalen was voorzien. In een 737 zoals de onze heb ik ook wel eens gevlogen, maar mijn voorkeur ging toch uit naar ouder materiaal. Zo’n hypermoderne airliner heeft gewoon teveel computergestuurde foefjes om nog over echt vakmanschap te kunnen spreken. Die dingen vliegen zichzelf, op een stukje start en landing na. Maar ook dat kunnen ze al beter dan een menselijke piloot.
Nee, dan de DC-3! Die heerlijke ouwe rammelbak, waarvan je in Flight Simulator alle bijgeluiden zo mooi kon meebeleven. Met een authentiek instrumentenpaneel erbij, en zelfs een instrument met een barst erin. Dat is het echte vliegen, en ik heb er zelfs een keer mee rond de wereld gevlogen. Elke avond een etappe van maximaal 2 uur, en van tevoren een vluchtplan opstellen. Het echte werk dus, vliegen op de instrumenten waar dat kan. Het meest spannend was het nog om sommige etappes op zicht te vliegen. Zoek boven de Alpen maar eens naar het vliegveld Innsbruck, dat valt nog niet mee. Helaas had ik niet het geduld om mijn wereldreis te voltooien, want de oversteek naar Australië duurde me gewoon te lang. En je kon die sim wel sneller laten lopen, maar dat was in die kringen echt not done. Vliegen op de automatische piloot idem dito, dat doe je niet in een DC-3.
Het is altijd weer grappig om mensen over computervliegen te vertellen, want vrijwel iedereen beschouwt dat als een spelletje. Dat het dat niet is bewijst niet alleen de aanslag op de Twin Towers: De terroristen bleken zich via Flight Simulator het vliegen in een 747 eigen gemaakt te hebben.
Persoonlijk heb ik er ook veel aan gehad. In een proefles in een Cessna 172 heb ik met behulp van uren droogzwemmen op de PC de hele vlucht zelfstandig gevlogen. Van het starten van de motor tot het uitschakelen heeft de instructeur naast mij niets hoeven doen. Ik had het zweet in mijn handen, dat wel. Maar de kick van de beheersing van zo’n kist is onvergetelijk. Het bleek ook veel makkelijker dan thuis vliegen. Je voelt en ziet veel beter wat er gebeurt en wat je acties voor gevolg hebben.
Maar daar bleef het dus bij, in afwachting van een jackpot die maar niet wilde vallen.
En nu zitten we dus weer in zo’n zilveren vogel. Net voorbij Parijs en over een kwartiertje alweer bij Bordeaux. Het blijft iets wonderbaarlijks, je voortbewegen met een snelheid van 800 km/u. Volgens Floris is dat over 70 jaar niet meer nodig, we kunnen dan met behulp van teleporteren overal komen. Dat zou dan goed nieuws zijn voor mensen met vliegangst, en voor kleine én grote jongens die gewoon een beetje zenuwachtig zijn.
De oplettende lezer weet inmiddels dat wij op hoogte wonen. En dat heeft veel voordelen. Je hebt absolute privacy, iets dat ik zelf met enige regelmaat beproef door me na het douchen op diverse plekken in het huis af te drogen. Ook het balkon wordt dan wel eens bezocht en er is geen haan die daarnaar kraait.
Ook in de zomer is het prettig om zo hoog te vertoeven. Wespen en ander prikkend ongedierte zie je hier nauwelijks, en de weinige exemplaren die zich zo hoog wagen vormen een makkelijke prooi vanwege het zuurstoftekort en de daaruit voortvloeiende algehele versuffingsgraad.
Maar het gebrek aan insecten heeft ook een nadeel. Als de lente begint merken wij daar weinig van op ons balkon. Want vogeltjes komen niet zo hoog. Maar sinds vorig jaar hebben we een klein vogeltje als vaste gast. Een kwikstaartje, zo stelde mijn moeder na het zien van een wat wazige foto stellig. En moeders spreek je niet tegen. Dat kwikstaartje heeft vorig jaar tussen de rommel die wij er op nahouden een nestje gebouwd en er 6 eitjes gelegd. 5 daarvan kwamen uit en nadat er een alsnog het loodje legde hebben 4 jonge kwikstaartjes de sprong gewaagd en zijn veilig uitgevlogen.
In maart van dit jaar bleek onze kwikstaart de weg naar ons balkon nog steeds te weten. Naast het oude nestje (we hadden dat zorgvuldig bewaard vanwege je weet maar nooit) maakte hij samen met zijn eega een minstens even fraai nieuw bouwsel. Het is boeiend om te zien hoe onvermoeibaar die beestjes zijn in het verzamelen van geschikte materialen. Een week geleden kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik ontdekte wederom 6 kleine eitjes. Meer dan 1,5 cm groot zijn ze niet, de eitjes van zo’n kwikstaartje, en je vraagt je af hoe daar een vogelbaby in kan zitten.
Gisteren keek ik nog eens en ontdekte toen het nieuwe broedsel:
Het kan geen toeval zijn: wederom is één eitje intact gebleven. En na wat zacht getjilp, of wat daarvoor door moet gaan bleken de borelingen al snel hun snaveltjes te openen. Vier heb ik er geteld, dus het zou heel goed kunnen dat nummer 5 het niet gaat redden. Precies dezelfde opbrengst als vorig jaar dus.
Het zijn overigens baby’s van niks, die kwikstaarten. Kleine donsbolletjes met een veel te grote snavel en nog dichte oogjes, meer is het niet. En nu vliegen de gelukkige ouders dus af en aan met torretjes, piertjes en andere eetbaarheden.Het kroost moet groeien en liefst een beetje snel. Kwikstaartjes hebben niks met de puberteit, die periode slaan ze liever over. Als je vleugels hebt zoek je het verder zelf maar uit.
Wij zullen het uitvliegen deze keer waarschijnlijk niet meemaken. We vliegen zelf uit, naar Andalusië nota bene. Daar ga ik, met behulp van de Wifi-voorziening in ons huis, weer een vakantieblog verzorgen. En dat wordt vast de moeite van het volgen waard.
Er is niks te melden, behalve dat ik blij ben dat het bijna weekend is. In België hebben we geen televisie (ik tel het mini-laptopje met DVB-T aansluiting voor Luik-Bastenaken-Luik even niet mee) en dus blijven we verschoond van alle opinie-programma’s die tot over de rand gevuld zijn met rampen. Of wat daarvoor door moet gaan, want het begrip “ramp” is aan een stevige devaluatie bezig. Die schietpartij in Alphen heeft voor minstens 8 avonden aan ramp-tv opgeleverd. Die van Baflo komt tot de helft. Niet slecht voor een incident met “maar” 2 doden.
Waarschijnlijk heeft de een of andere zendercoördinator het format van het voetbal naar de rampen gekopieerd: ellenlange nabeschouwingen, the-day-after gelul, en dan de eind-evaluatie ook nog even meepikken. Alleen het voorbeschouwen wil bij rampen nog niet lukken. Maar laat dat maar aan de media-maffia over, die jongens verzinnen ook daar wel een oplossing voor.
Maar goed, wij hebben dus even een lang weekend zonder ramp-tv. Heerlijk. En om alvast in de stemming te komen gooi ik er nog een foto van 2 weekenden geleden tegenaan. De surfers zijn inmiddels alweer volop actief, maar toen kwamen ze net uit hun winterslaap.
We zouden het eens over het weer kunnen hebben. Hoe fraai het nu al bijna twee weken is, en hoe fraai het de komende weken nog blijft. Dat april nieuwe records gaat vestigen. Maar Freek de Jonge zei het al, tegen zijn zoontje die hem kwam vertellen hoe het weer zou worden (had hij op het jeugdjournaal gehoord): “Het weer is voor de BOEREN, jongen!”
Dus gaan we het er maar niet over hebben. In plaats daarvan maak ik u dan maar deelgenoot van onze bezigheden gedurende de voorbije zondag. Een paar uur in Oostende, vanuit ons weekendverblijf is dat een paar steenworpen ver. We zouden een driemaster bezoeken, maar die was gesloten. Daarom maar wat doelloos ronddolen in en rond de haven, gevolgd door enige laverij op het terras van de enige strandtent ter plekke. Er zijn ergere manieren om je zondag door te brengen.
Helaas vonden meer mensen dat. Je kon er over de hoofden lopen, en dat geeft de rustzoeker in mij geen fijn gevoel. Je hebt ook mensen die zich nergens druk om maken, die hun hele omgeving gewoon vergeten. Zoals deze meisjes die zo opgingen in hun Nintendo’s dat ze niet eens in de gaten hadden dat ik ze in het voorbijgaan even knipte.
Er zijn alweer twee weken verstreken sinds mijn vorige blog. Twee weken zonder enige inspiratie op schrijf- of fotografiegebied, en als je het zo bekijkt moeten het wel erg lege weken geweest zijn. Niets is minder waar. Om te beginnen is ons kustseizoen weer van start gegaan, en dus zitten we nu al het derde weekend op rij in de zon. En door de week ben ik druk, met het verdienen van het dagelijks brood vooral. Ik werk voor een organisatie die voor het eerst in 14 jaar door elkaar geschud wordt, en dat is een fascinerend proces. Het mag ook geen reorganisatie heten, dat is blijkbaar te confronterend. Daarom heet het nu een transformatie. U raadt het al, het gaat hier om de overheid. Als relatieve nieuwkomer (ik werk er net een jaar) zijn verbazing en verwondering nog steeds mijn deel. Maar in tegenstelling tot mijn ervaringen bij eerdere werkgevers zijn de meeste mensen in mijn huidige werkkring vooral bezig met werken. En dus niet met anderen de loef afsteken en een wit voetje (bruin armpje?) halen bij de baas. Een verademing is dat.
En verder ben ik druk met het bouwen van een nieuwe website voor onze fotoclub. Een hele klus, vooral omdat ik niet voor de makkelijke weg gekozen heb. Hoewel het gekozen pakket erg veel kan en eindeloos uitbreidbaar is, is dat tevens de makke ervan. Er zijn zoveel mogelijkheden dat ik bij tijd en wijle door de bomen het bos niet meer zie. Inmiddels is die bouw uitgegroeid tot een complete studie, en soms zit ik avonden met mijn neus in de boeken. Dat is wel figuurlijk gesproken, want de moderne student gebruikt natuurlijk zijn iPad.
En daarop tik ik nu ook deze blog. Lekker in mijn luie stoel in het Belgische zonnetje op ons vertrouwde plekkie. Helaas vandaag zonder foto, want ik ben een cruciaal onderdeel van het iPad-bestaan vergeten en kan zodoende geen foto’s overzetten.
Drie weekenden zijn we hier dus alweer. En wat opvalt is dat niets opvallends is veranderd. Overal waar gebouwd werd lijkt de tijd te hebben stilgestaan, overal waar troep lag ligt die er nog steeds. Alleen het huis van onze dromen is verkocht, na ruim 1,5 jaar. Nou vinden we dat geen ramp, want met die dromen viel het wel mee. Gezien de staat waarin het verkeert zou het vrijwel zeker op nachtmerries uitdraaien. De grap is dat de nieuwe koper in weerwil van al het achterstallig onderhoud gewoon begonnen is met verhuizen. Elke week loop ik er langs en zie dan dat het interieur weer wat gegroeid is. En tussen alle huisraad zie ik niets dat duidt op de betere klusserij. Ook hier dus niets nieuws onder de zon.
Een ding is er wel veranderd hier, en dat doet me dagelijks pijn: Mijn favoriete croissanterie is gesloten. Geen beter begin van de dag dan een babbeltje bij “het vrouwke”, zoals mijn betere helft haar noemt. Ik moet nu in de rij aansluiten bij zo’n luxe bakkerszaak waar België mee bezaait lijkt te zijn. En met zoveel anonimiteit en drukte kun je nooit een goed gesprek beginnen, laat staan een croissantrelatie.
Maar verder is het telkens weer een verademing om hier te komen. En dat komt natuurlijk door de zeelucht, de zon, en het zalige ont-moeten. Maar de bevolking, en dan met name het taalgebruik, helpen ook flink mee. Ze hanteren hier namelijk geen stopwoordjes, tenminste niet jegens ons. Nou kan dat komen door de veelal kortere gesprekken die wij voeren, maar er is meer aan de hand. Want ook op de Vlaamse tv is het een en al welsprekendheid wat de klok slaat.
En dat is bij ons in Nederland wel anders. Tenenkrommend zit ik soms te kijken naar de manier waarop hele foute zegswijzen en verbasteringen door mensen met een bovengemiddelde intelligentie in hun zinnen worden opgenomen. Op nummer 1, en met stip, staat het vermaledijde “zeg maar”.
Er zijn lieden die erin slagen deze twee woordjes in elke zin minimaal 3 keer op de meest onzinnige posities in te voegen. Als laatste deel van een zin is het zelfs bijna dodelijk, zoals in “ik had vandaag even niet zo’n zin om naar mijn werk te gaan, zeg maar”. Fataal wordt het als iemand voor de onvermijdelijke ZM-afsluiter nog een pauze inlast. Buikpijn krijg ik daarvan.
En niet van het lachen. Als je er op gaat letten merk je dat vrijwel iedereen het gebruikt. Het is een epidemie, een onontkoombaar ZM-virus dat zich ergens in de hersenstam heeft genesteld en van daaruit zijn vergif over de wereld verspreidt. En sinds enkele weken merk ik dat ik er zelf ook al last van heb. En nou moet ik me dus ook nog aan mezelf gaan ergeren. Of ik doe er het zwijgen toe.
Ik zeg maar zo, ik zeg maar niks meer. Dat is nog eens een stopwoord.














